Blog: Wie de schoen past...

Terug naar overzicht


Wie de schoen past, trekt ‘m aan

Auteur: Mieke Stroeve, docent en registerpodoloog

Een therapiezool kan veel voet- en houdingsklachten verhelpen maar kan alleen effect bieden als deze gedragen wordt in de juiste schoenen. Als de schoen het probleem is, kan een therapiezool nooit de oplossing zijn. Maar waar moet iemand nu precies op letten bij het kiezen van schoenen?

Allereerst moeten de schoenen passen bij de gelegenheid. Voor kantoor kies je een ander type schoen dan voor een stevige boswandeling. Dit lijkt voor de hand liggend maar vaak gaat het daar al mis. Op slippers een Italiaans bergdorpje verkennen kan tot vervelende voetklachten leiden. Het is dus van belang om goed te kijken naar de schoenen en te beoordelen of de schoen een aanvulling is voor de functionaliteit van de voet tijdens een bepaalde activiteit.

Ieder voettype heeft zo zijn eigen specifieke aandachtspunten. Een plat voettype stelt andere eisen aan een schoen dan een hol voettype. Bij een platte voet past een schoen met een lage hak en een stevige hielomsluiting, bij een holle voet wordt eerder gekozen voor een klein hakje met demping in de zool.
Aan de schoen zijn verschillende onderdelen te onderscheiden:
  • De zool: Afhankelijk van de activiteit kan er gekozen worden voor een gladde of ruwe (profiel)zool, een stevige, harde zool of juist een soepele, buigzame zool. Een bergschoen of werkschoen heeft bijvoorbeeld vaak een stevigere zool met een ruw profiel.
  • De sluiting: Een goede schoen sluit goed om de voet. Dit gaat het beste met een vetersluiting omdat deze individueel aangepast kan worden, maar als dat niet mogelijk is, kan klittenband of een combinatie met een ritssluiting worden gekozen.
  • De breedte van de voorvoet: Er zijn steeds meer schoenmerken die in diverse wijdtematen verkrijgbaar zijn. Een normale breedte van een schoen wordt aangeduid met de letter G. Alle letters eerder (E en F) duiden een smallere schoen aan, alle letters verder (H t/m K) duiden een bredere schoen aan. Zowel een te brede als een te smalle schoen kan problemen veroorzaken. Zo kan een te smalle schoen likdoorns of neuralgie veroorzaken en een te brede schoen problemen geven doordat de voet gaat schuiven.
  • De teenbox: Een schoen moet voldoende ruimte bieden aan tenen, vooral als afwijkingen zijn ontstaan in de teenstand zoals bijvoorbeeld hamertenen.
  • De contrefort: Een schoen moet goed aansluiten om de hiel en daarvoor is een stevig contrefort nodig. Dit is te testen door met de duim de achterzijde van de schoen iets in te drukken. Bij een stevige schoen zal de achterzijde niet meegeven.
  • De lengtemaat: De lengte van de schoen moet 1-1,5 cm langer zijn dan de langste teen. Deze ruimte is nodig omdat bij het afwikkelen van de voet ook over de toppen van de tenen afgewikkeld wordt en de voet bij de afzet iets doorveert. De grote teen (Hallux) is niet altijd de langste teen, let hierop bij het passen van de schoenen. Bovendien is de mode van grote invloed op de lengte van de neus van de schoen. Een spits model schoen wekt de indruk dat er voldoende lengte is, maar dit is slechts ‘overmaat’, die niet effectief kan worden gebruikt bij afwikkeling.
  • Hakhoogte: Wanneer een voet op de grond staat draagt de hiel het meeste gewicht (52%). Bij een kleine hak (2-3 cm) verschuift het zwaartepunt en komt het grootste deel van het lichaamsgewicht al op de voorvoet terecht. Bij hakken hoger dan 4 cm komt bijna het volledige gewicht op de voorvoet terecht en is de hiel nauwelijks gewicht dragend. Mensen die vaak op hoge hakken lopen kunnen daardoor pijn in hun voorvoet krijgen.
Er zijn dus best wat aandachtspunten, wilt u meer weten over schoenen en de eenheid tussen voet, zool en schoen? Schrijf u dan in voor de opleiding voetkundig advies (1e semester opleiding registerpodoloog). Na het succesvol afronden van deze opleiding kunt u zich als voetkundig adviseur aansluiten bij de brancheorganisatie Stichting LOOP.